Nog geen reacties

Homilie 33ste zondag door het jaar

Binnen mijn familie komt nu en dan het verhaal langs over een oudoom, die op een eigenaardige manier omging met cadeaus. Wanneer hem, bij voorbeeld, een net ingepakte plant werd gegeven, dan zette hij die, zonder er naar te kijken, ingepakt en wel in de vensterbank. Andere cadeaus waren hetzelfde lot beschoren: onuitgepakt werden ze ergens weggelegd. Mijn ouders kunnen over deze oudoom nog gemengd verontwaardigd en geamuseerd over vertellen

Wat hij deed doet me denken aan de dienaar uit het evangelie, die het talent dat hij had ontvangen begroef om er niks mee te doen. Talenten waren in de tijd van Jezus geldeenheden met een forse waarde. We hoorden dat die vrijelijk werden uitgedeeld aan drie dienaren, ieder naar eigen vermogen. De gelijkenis gaat wel over geschenken, maar niet over geld. Jezus heeft nu eenmaal niet ingezet op het stichten van goedlopende financiële onderneming, maar op wat Hij noemde het koninkrijk der hemelen. Daarbinnen, zo horen we op deze laatste zondagen van het kerkelijk jaar, gaat het om waakzaamheid en delen van wat je gegeven is, met mensen die ziek zijn, honger of dorst hebben, gevangenen.

Het is daarom passend dat we vandaag bij ‘talenten’ niet op de eerste plaats denken aan geld, maar aan vermogens die je kunt ontwikkelen. Daar hebben we veel aandacht voor, zeker bij de opvoeding van kinderen, op wie soms wel erg veel druk wordt gelegd om eigen talenten te ontdekken en te ontwikkelen. Voor volwassenen die er nog niet voldoende aan toe zijn gekomen, zijn er tegenwoordig vele trainingen en cursussen met de bedoeling je te laten leven vanuit je eigen kracht en talenten. Dat is niet vreemd, want onze tijd verschilt van die van generaties voor ons, waarvoor het zelfstandig kiezen van een toekomst maar voor weinigen was weggelegd. De uitdrukking ‘als je voor een dubbeltje geboren bent, zul je nooit een kwartje worden’, bleek maar al te vaak toepasbaar.

De sociologie neemt dit principe nog altijd waar, en noemt dit ‘het Mattheuseffect’ en dat is weer gerelateerd aan het evangelie van vandaag, waarin we hoorden: ‘Aan ieder die heeft, zal gegeven worden, zelfs in overvloed (…), maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden wat hij heeft.’ Een voorbeeld van wat men het Mattheuseffect noemt kwam deze week langs in het nieuws dat MBO’ers die een stageplaats zoeken, die moeilijker vinden als ze een allochtone achternaam hebben, al hebben ze nog zoveel talent om de stage goed te kunnen vervullen. Terecht vinden we dit onrechtvaardig, want we verlangen zelf vaak naar de vrijheid tot het ontplooien van onze talenten, en we lijden eronder als die niet gezien of genegeerd worden.

Het harde oordeel in het evangelie over de dienaar die het ene talent begroef is echter niet bedoeld om te bevestigen dat wie ‘voor een dubbeltje geboren is, nooit een kwartje zal worden’. Want het wordt gegeven binnen de context van het ‘Rijk der hemelen’ en daarbinnen gaat het erom wat je krijgt, en iedere dienaar krijgt wat bij hem past, maar vooral ook hoe je ontvangt. Cruciaal verschil tussen de dienaren die wel worden geprezen, die van de twee en vijf talenten, en de dienaar met het ene talent, is misschien wel dat die laatste het talent niet echt in ontvangst heeft genomen, het zich niet eigen heeft gemaakt. Het oordeel ‘wie niet heeft, zal nog ontnomen worden wat hij wel heeft’, slaat dan op mensen die het evangelie niet echt tot zich laten doordringen of invloed laten hebben op hun manier van leven, die het als het ware in de verpakking laten. Het tegenovergestelde geldt voor ‘de sterke vrouw’, over wie we hoorden in de eerste lezing. Zij wordt nogal tijd- en cultuurgebonden omschreven, maar in de Joodse traditie vaak verbonden met historische vrouwen als Rachel, Ruth en Esther, vrouwen de woorden en de Geest van God in hun hart droegen en er met kracht handen en voeten aan gaven. Zij, en ook andere vrouwen en mannen uit het Oude testament, de dienaren die wel geprezen worden, worden ons als voorbeeld voorgehouden van mensen die leefden in openheid naar God en de hen gegeven talenten.

Deze voorbeelden nodigen ons uit om ruimte geven geven aan de vraag in hoeverre wij vrij en open zijn voor eigen talenten en die van een ander, en binnen het geloof klinkt die vraag ook altijd in het licht van het evangelie. Daarin verschillen we. De een heeft van huis uit veel vertrouwen meegekregen om vrij te beschikken over eigen talenten, en die te ontwikkelen, een ander minder. Er kan ook in de loop van je leven van alles tussen gekomen zijn. Het kan dan een lange zoektocht zijn naar vertrouwen dat ook jij de moeite waard bent om werk te maken van je talenten. Het is niet aan ons, om over onszelf of een ander te oordelen; ons oordeel verstoort juist de dynamiek van een levende godsrelatie. Want bij alle verschillen in aanleg en talent, is dat misschien wel, wat voor Jezus het meest heilig was. Een levende godsrelatie die zich kenmerkt door vrij te beschikken over je persoonlijke talenten, en die te delen met anderen. Dat vraagt soms moed, en de erkenning dat het niet altijd lukt, of meer ruimte vraagt. Durven we die vrijheid aan? Staat ons iets of iemand in de weg? Staan wij anderen niet in de weg? Vragen die misschien niet altijd prettig zijn, maar wel relevant, als we tenminste het evangelie niet onuitgepakt willen laten.

Diaken Rob Polet

Reacties zijn gesloten.