Nog geen reacties

Homilie bij de vijfde zondag in de Veertigdagentijd

De lezingen vindt u onder de homilie

Gelooft gij dit?

Deze lente herinnert ons er opnieuw aan dat er na de dood van herfst en winter nieuw leven opbloeit in de natuur. De eerste christenen spraken onder elkaar over de “doodslaap”. En de begraafplaatsen in de catacomben noemden ze couchettes ofwel slaapplaatsen in afwachting van de verrijzenis van het lichaam, zoals in de geloofsbelijdenis staat. Op deze vijfde zondag van de Veertigdagentijd horen we over Lazarus die uit de doden wordt opgewekt. Hij lag al vier dagen in het graf. Daarmee wordt onderstreept dat hij wel echt dood was. Alleen God kon hier nog tot leven wekken. Voor Hem is niets onmogelijk. Dood heeft voor Hem niet het laatste woord.

Lazarus was een goede vriend van Jezus. Hij moet al deel hebben gehad aan het nieuwe leven dat Jezus Christus op aarde is komen brengen. Hetzelfde mogen we aannemen van zijn zus Maria, die als een ware leerling aan de voeten van de Heer naar zijn woorden zat te luisteren. Nu wil Jezus een stap verder gaan met zijn vriend Lazarus. Ook al wordt Lazarus niet ten eeuwigen leven opgewekt, toch openbaart Jezus zich hier reeds als overwinnaar op de dood.

Jezus wekt ook geloof bij Marta, de zus van Lazarus en Maria. Zij belijdt haar geloof met de woorden: “Ja Heer ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods”. Dit geloof mag ze overbrengen aan Maria. Een hele rouwstoet kwam naar Jezus toe. Het is als een doopcatechese-groep. Ze komen allemaal met Jezus in contact. Met Lazarus als het lijdend voorwerp van deze catechese. De Meester zelf openbaart zich aan de leerlingen. Het mysterie van het menselijk leven in al zijn kwetsbaarheid staat centraal. Jezus toont zich Heer over de wetten van de natuur. Hij is de verrijzenis zelf.

Vele volwassenen hebben ook dit jaar voorbereidingen ontvangen op het Doopsel. Helaas loopt het door de coronacrisis allemaal anders. Maar velen hebben een hele weg afgelegd om tot de keuze voor het Doopsel te komen. Dit is soms ook een opstaan uit een geestelijke dood. In onze tijd is het leven van young professionals getekend door zelfverwerkelijking. Wanneer tegenvallers of verlies zich aandienen, dan wordt dat gezien als je eigen verantwoordelijkheid. En daar word je niet vrolijk van. Nu Jezus in hun leven is gekomen, komt er acceptatie. In het licht van de Liefde van God telt je hart. Samen met andere zoekers ontdekt men en vrede en een vreugde die je thuisbrengt bij elkaar en bij jezelf, bij God.
“Ik ben de verrijzenis en het leven”, sprak Jezus tot Marta. Hiermee worden we meegenomen naar Paasmorgen. We worden herinnerd aan de vruchten van het geloof in de verrezen Heer. In de eerste lezing horen we het prachtige visioen van de profeet Ezechiël. Het gaat over de graven waaruit de doden weer tot leven worden gewekt. Dit beeld werd aan de Joden voorgehouden die onder de ballingschap gebukt gingen. God zal het initiatief nemen om zijn volk terug te voeren naar het beloofde land. Hij zal het verbond met hen weer tot leven brengen. Ze zullen hun geliefde stad Jeruzalem zien herrijzen met haar heiligdommen.

De crisis van het coronavirus wordt door velen ook ervaren als een ballingschap. Het treft mensen op zo vele manieren. Ook maatschappelijk en economisch breekt er een hoogst onzekere tijd aan. Misschien kunnen we het gebruiken als een soort retraite van bezinning op ons leven: wie of wat telt nu echt voor mij? We mogen geloven dat juist in deze beproeving Jezus Christus met hen is die vechten voor levens. Hij staat mensen bij die afscheid moeten nemen van hun dierbaren. Hij geeft Licht aan hen die verantwoordelijkheid dragen in Kerk en samenleving.

Ook ons staat Hij bij om het uit te houden ondanks spanning. Zo had ik laatst een stevige confrontatie over de handhaving van voorzorgsmaatregelen zoals hygiëne. Het was al laat op de dag. Zonder te gaan analyseren werd een bericht via de app een eerste stap tot een nieuw begin. Zo kon er weer met respect gesproken worden en kwam er weer licht in ons midden.

In deze dagen ervaren we de harde kant van Goede Vrijdag. Ons geloof zegt dat er eens weer een echt Pasen zal gloren. Een uitnodiging om als christenen de deuren van ons hart open te houden. Zeker nu de kerkdeuren van onze godshuizen gesloten blijven. Vele zoekers zijn nu extra gevoelig voor tekenen van hoop. Neem de mensen die gebonden waren door hun positie, maar nu in een gat vallen. De liefde kan hen openen voor het bestaan van God. Misschien moeten we net als bij Lazarus na zijn opwekking de zwachtels losmaken.

Het geloof in God brengt mensen thuis, zoals menigeen die zich in de afgelopen maanden heeft voorbereid op Doopsel of Vormsel heeft mogen ervaren. Het is een thuiskomen bij zichzelf, bij elkaar, en bij Jezus Christus, de verrijzenis en het leven.

Pater Aad van Ruiten, sss

Eerste lezing (Ez. 37,12-14)
Uit het boek Ezechiël.

Zo spreekt de Heer:
Ik ga uw graven openen;
in de massa’s zal Ik u uit uw graven wegvoeren
en u brengen naar de grond van Israël.
En wanneer Ik dan uw graven geopend heb
en u in massa’s zal hebben weggevoerd uit uw graven,
zult gij weten dat Ik de Heer ben.
Mijn geest zal Ik over u uitstorten en gij zult leven;
Ik zal u vestigen op uw eigen grond
en gij zult weten dat Ik de Heer ben:
Wat Ik zeg, dat volbreng Ik!”
Zo luidt de godsspraak van de Heer.
Woord van de Heer.
Wij danken God.

Tweede lezing (Rom. 8, 8-11)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome.

Broeders en zusters,
zij die zelfzuchtig leven,
kunnen God niet behagen.
Maar uw bestaan wordt niet beheerst
door de zelfgenoegzaamheid,
maar door de Geest,
omdat de Geest van God in u woont.
Zou iemand de Geest van Christus niet hebben,
dan behoort hij Hem niet toe.
Als Christus in u is,
blijft wel uw lichaam door de zonde
de dood gewijd,
maar uw geest lééft,
dankzij de gerechtigheid.
En als de Geest
van God, die Jezus van de dood heeft opgewekt, in u woont,
zal Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan,
ook uw sterfelijk lichaam eenmaal levend maken
door de kracht van zijn Geest, die in u verblijft.
Woord van de Heer.
Wij danken God.

Evangelie (Joh. 11,1-45)

Jezus riep met luide stem: “Lazarus, kom naar buiten!” De gestorvene kwam naar buiten, voeten en handen met zwachtels gebonden en met een zweetdoek om zijn gezicht.
In die tijd
was er iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië,
het dorp van Maria en haar zuster Marta.
Maria was de vrouw, die de Heer met geurige olie had gezalfd
en zijn voeten met haar haren had afgedroogd.
De zieke Lazarus was haar broer.
De zuster van Lazarus stuurde Jezus de boodschap:
“Heer, die Gij liefhebt, is ziek.”
Toen Jezus dit hoorde, zei Hij:
“Deze ziekte voert niet tot de dood,
maar is om Gods glorie,
opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden.”
Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus.
Toen Hij dan ook hoorde dat Lazarus ziek was,
bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse,
maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen:
“Laat ons weer naar Judea gaan.”
De leerlingen zeiden:
“Rabbi , nog pas probeerden de Joden U te stenigen
en gaat Gij er nu weer heen?”
Jezus antwoordde:
“Heeft de dag geen twaalf uren?
Overdag kan iemand gaan zonder zich te stoten,
omdat hij het licht van deze wereld ziet.
Maar gaat iemand ‘s nachts, dan stoot hij zich,
omdat het licht niet in hem is.”
Zo sprak Hij.
En Hij voegde er aan toe:
“Onze vriend Lazarus is ingeslapen,
maar Ik ga er heen om hem te wekken.”
Zijn leerlingen merkten op:
“Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden.”
Jezus had echter van zijn dood gesproken,
terwijl zij meenden, dat Hij over de rust van de slaap sprak.
Daarom zei Jezus hun toen ronduit:
“Lazarus is gestorven,
en omwille van u verheug Ik Mij, dat Ik er niet was,
opdat gij moogt geloven.
Maar laat ons naar hem toegaan.”
Toen zei Tomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen:
“Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.”
Bij zijn aankomst bevond Jezus
dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
Betanië nu was dichtbij Jeruzalem,
op een afstand van ongeveer drie kilometer.
Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen
om hen te troosten over het verlies van hun broer.
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was,
ging zij Hem tegemoet;
Maria echter bleef thuis.
Marta zei tot Jezus:
“Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.
Maar zelfs nu weet ik,
dat wat Gij ook aan God vraagt,
God het U zal geven.”
Jezus zei tot haar:
“Uw broer zal verrijzen.”
Marta antwoordde:
“Ik weet dat hij zal verrijzen op de laatste dag.”
Jezus zei haar:
“Ik ben de verrijzenis en het Leven.
Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven,
en ieder die leeft in geloof aan Mij,
zal in eeuwigheid niet sterven.
Gelooft gij dit?”
Zij zei tot Hem:
“Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt,
de Zoon Gods, die in de wereld komt.”
Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen
en zei zachtjes:
“De Meester is er en vraagt naar je.”
Zodra Maria dit hoorde,
stond zij vlug op en ging naar Hem toe.
Jezus was nog niet in het dorp aangekomen,
maar bevond zich nog op de plaats waar Maria Hem ontmoet had.
Toen de Joden, die met Maria in huis waren om haar te troosten,
haar plotseling zagen opstaan en weggaan,
volgden zij haar
in de mening, dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
Toen Maria op haar plaats kwam waar Jezus zich bevond,
viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei:
“Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.”
Toen Jezus haar zag wenen,
en eveneens de Joden, die met haar waren meegekomen,
doorliep Hem een huivering en diep ontroerd
sprak Jezus:
“Waar hebt gij hem neergelegd?”
Zij zeiden Hem:
“Kom en zie, Heer.”
Jezus begon te wenen,
zodat de Joden zeiden:
“Zie eens hoe Hij van hem hield.”
Maar sommigen onder hen zeiden:
“Kon Hij, die de ogen van een blinde opende,
ook niet maken dat deze niet stierf?”
Bij het graf gekomen, overviel Jezus opnieuw een huivering.
Het was een rotsgraf en er lag een steen voor.
Jezus zei:
“Neem de steen weg.”
Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem:
“Hij riekt al, want het is reeds de vierde dag.”
Jezus gaf haar ten antwoord:
“Zei Ik u niet, dat als gij gelooft,
ge Gods heerlijkheid zult zien?”
Toen namen ze de steen weg.
Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak:
“Vader, Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt.
Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort,
maar omwille van het volk rondom Mij,
heb Ik dit gezegd,
opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.”
Na deze woorden riep Hij met luide stem:
“Lazarus, kom naar buiten!”
De gestorvene kwam naar buiten,
voeten en handen met zwachtels gebonden
en met een zweetdoek om zijn gezicht.
Jezus beval hun:
“Maakt hem los en laat hem gaan.”
Vele Joden, die naar Maria waren gekomen
en zagen wat Hij gedaan had,
geloofden in Hem.

Reacties zijn gesloten.