Nog geen reacties

Homilie zondag XII door het jaar (A)

Homilie zondag XII door het jaar (A)

lezingen: Jer. 20, 10-13; Rom. 5, 12-15; Mt. 10, 26-33

Toen ik jong was, gingen we regelmatig naar Oostenrijk op vakantie, omdat mijn grootouders daar een vakantiehuis hadden. Tijdens de wandelingen door de alpen kwamen we vaak kleine kapelletjes tegen waar ik graag naar binnen ging. Die waren meestal uit de tijd van de barok en wat ik daar nogal eens zag was helemaal boven op het plafond, de afbeelding van een oog. Het alziend oog van God, dat je vanuit de hemel leek te zien. Een beeld dat velen van u wel kent. Het komt ook voor in het verhaal van Godfried Bomans, Pieter Bas. Zo’n alziend oog was afgebeeld in het trappenhuis van de school die de jonge Pieter Bas bezocht. Hij vond het afschuwelijk en bedreigend zo te worden aangestaard en geobserveerd. Als hij later in het verhaal minister van onderwijs wordt, is het eerste wat hij doet opdracht geven om dat oog, in die bewuste school, weg te laten schilderen. Tsa, dat zegt veel over het Godsbeeld van Pieter Bas. Kennelijk was God voor hem een strenge opzichter klaar om te veroordelen. De vraag is natuurlijk of dit godsbeeld nu wel klopt met dat van de Bijbel.

Ja en nee. Ja, omdat we ook in de lezingen van vandaag horen dat God ‘hart en nieren doorgrond’, zoals we hoorden bij Jeremia, en in het evangelie hoorden we Jezus tot zijn apostelen zeggen dat God ‘ieder haar’ van hun hoofden heeft geteld. Dat zijn beide uitdrukkingen om te zeggen dat God de mens geheel en al kent, ‘alles ziet’. Maar voor de gelovige is dat helemaal niet bedreigend, maar juist een geruststelling. Dat is het tenminste bij Jeremia wel geworden. De profeet Jeremia werd geroepen om namens God te spreken onder de mensen. Aanvankelijk wilde hij dat niet, maar deed het uiteindelijk wel. En dan maakte hij mee dat hij onderwerp werd van spot, en zelfs fysieke dreiging, zoals we hoorden in de eerste lezing. Dit was al eerder gebeurd in zijn leven, en toen was hij heel kwaad geworden op God: ‘U vraagt mij om voor u te spreken, en als ik dat doe, maak ik allerlei ellende mee!’ Maar nu, iets later in het verhaal, in zijn leven, blijkt dat de nieuwe bedreigingen niet zijn vertrouwen in God laten verliezen. Kennelijk is het vertrouwen, dat zijn roeping meer zin heeft, waarachtiger is, dan de houding van mensen die zich tegen hem keren, gegroeid in de loop van de jaren. En het feit dat God de hele mens kent, en alles rechtvaardig onderzoekt, is hem juist tot steun.

Het vertrouwen, dat Jeremia was gegeven, dat wil Jezus ook aan zijn apostelen meegeven. Van de vele volgelingen van Jezus, mannen en vrouwen, kiest Hij er twaalf met een bijzondere zending. Als Jezus hen zegt dat ‘ieder haar’ op hun hoofd door God gekend wordt, dan is dat niet een vrijblijvend gegeven. Hij wil ermee duidelijk maken dat de apostelen mogen vertrouwen op Gods blijvende zorg en betrokkenheid op hun hele bestaan, wat ze ook zullen meemaken. Het alles kennen en alles zien van God werkt dus naar twee kanten: Hij laat zichzelf ook kennen als je toelaat dat Hij naar je omziet. Daarom zegt Jezus ook steeds: ‘wees niet bang’ om je onder anderen te begeven, met de wetenschap dat God je nabij is.

De specifieke zending van de apostelen is om de werkelijkheid van God zichtbaar en kenbaar te maken aan anderen, aan het licht te brengen. Van God hoorden we in de woorden van Jeremia, dat Hij ‘alles rechtvaardig onderzoekt’. En dat herkennen we in het leven van Jezus op aarde. Steeds als mensen bij Hem komen, met vragen of zorgen of verwijten, ontwart hij knopen langs de lijn van rechtvaardigheid, en in Hem zien we dat bij rechtvaardigheid ook barmhartigheid en trouw horen. Dat zijn woorden die op hun beurt weer verwijzen naar een zuivere, eerlijke liefde, de liefde van God. De apostelen zullen met vallen en opstaan steeds meer ontdekken hoe zij zelf dragers kunnen zijn van die liefde. En dat mogen ook wij steeds meer ontdekken in ons leven.

Dat alziend oog van God, waar ik het over had, dat kan bedreigend zijn, als je het los ziet van het Bijbelse geloof. Je kunt er dan je eigen invulling aan geven en er makkelijk het oog van de strenge leraar of je eigen vader of moeder of de boze buurman op projecteren. Maar als je het ziet in de context van geloof in Christus en het evangelie, dan kun je zien, dat de Alziende zich ook met jouw leven wil verbinden. En dat ons daarvoor een kompas is gegeven. Het kompas van het geloof dat je de richting wijst naar keuzes langs lijnen van rechtvaardigheid, barmhartigheid, trouw, van Gods liefde. Dat kompas heeft een binnenkant en een buitenkant. In je innerlijk werkt de heilige Geest, die je steeds beweegt om het goede te kiezen en het kwade te weerstaan. En als je wilt onderscheiden wat nu goed is en wat niet, dan zijn Christus het evangelie, en het leven binnen de gemeenschap van de kerk, de uiterlijke zijde van het kompas. Voor iedere christen geldt, dat gevoelig blijven voor wat innerlijk in je omgaat, en daarbij je blijven verdiepen in het evangelie, en je blijven verbinden met de biddende gemeenschap van de kerk, een weg zal zijn om het licht van God te blijven ontvangen en steeds beter te begrijpen. Durven wij het aan om op deze manier toe te staan dat God ons geheel en al ziet?

Diaken Rob Polet

Reacties zijn gesloten.