Nog geen reacties

Homilie bij de vierde zondag in de Veertigdagentijd ‘Laetare’

Zien of niet zien? Is het niet nu pas echt vasten?

In de tuin van ons ouderlijk huis stond een kast met daarin een onderstel voor een telescoop (sterrenkijker). Soms, bij een heldere nacht, ging die kast open en werd de kijker, door mijn vader zelf gemaakt, op het statief geplaatst. We keken als gezin naar maan, sterren en planeten door de kijker. Dat was geweldig indrukwekkend. Minder indrukwekkend, maar wel fascinerend, was het wanneer de kijker werd gericht op een zogenaamde nevel. Dat is een sterrengroep of -stelsel dat zover weg staat dat het, zelfs door de telescoop, niet anders kan worden waargenomen dan als een klein, wazig vlekje. Het gekke was: als je door de kijklens van de telescoop je ogen richtte op zo’n vlekje, dan zag je het al snel niet meer en verdween het tegen de donkere achtergrond van het heelal. Mijn vader legde uit dat je er ook niet op moest focussen, maar er net langs moest kijken. En verrek, als je er net langskeek, dan zag je de nevel wel, maar wanneer je er met je ogen direct naar tuurde, verdween ie! Vreemd eigenlijk, hoe het zien van iets pas mogelijk wordt als je er niet op gefocust bent.

Ik moest hieraan denken bij de lezingen van deze zondag. Daarin speelt kijken en zien een sleutelrol. En ook de vraag waar jouw focus ligt. De jonge Samuël (eerste lezing) mag op pad om namens God een nieuwe koning aan te wijzen en te zalven. Hij denkt al in één oogopslag te weten wie dat moet zijn, een jongeman met een sterk en stevig voorkomen. Maar hij krijgt te horen: ‘God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer naar het hart’. En Samuël leert kijken met de ogen van God. Dat is dus niet iets wat vanzelf gaat, maar waarin je ingewijd kunt worden.

Over inwijdingen en het zien vanuit God gaat het evangelie. En ook over de mislukking daarvan. Het lange, prachtige verhaal over de blindgeborene kent verschillende personages met een verschillende blik. Een man die vanaf zijn geboorte blind was, wordt genezen. Dat is mooi, en daar zou het bij kunnen blijven. Maar de evangelist Johannes vertelt er van alles omheen. En dat heeft ons veel te zeggen.

Ook hier gaat om de manier waarop mensen kijken naar de werkelijkheid. Dat is bepalend voor wat ze wel zien, en niet zien. De man die wordt genezen van zijn fysieke blindheid, wordt gaandeweg zijn innerlijk oog geopend voor wie Jezus is. Op de vele vragen die hij krijgt over wie hem heeft genezen, ontwikkelt zijn antwoord zich van ‘de man die Jezus heet’, tot ‘een profeet’, via ‘een man die van God komt’ tot ‘de Mensenzoon’ en ‘Heer’. Een inwijding in het mysterie van God en een groei in geloof. Bij de kritische Farizeeën verandert er niet zoveel in hun oordeel over Jezus. Voor hen is Hij ‘een man die niet van God komt’ en ‘een zondaar’.

Deze contrasten laten zien wat een manier van kijken, een focus, kan doen. De blik van de Farizeeën wordt bepaald door de vele regels die zij hanteren en als voorwaarde voor echt geloof zien. Jezus’ optreden valt daarbuiten: Jezus breekt radicaal met het idee dat ziekte, blindheid in dit geval, te maken heeft met morele fouten, zonden, van iemand. Dat is voor de Farizeeën al ondenkbaar. En dan geneest Hij op sabbat, wat volgens hen niet mag. Kortom: zaken die volgens de Farizeeën maar één ding kunnen betekenen: Jezus is een zondaar en zeker geen mens van God.

Heel ironisch vind ik de confrontatie tussen de genezen man en de Farizeeën wanneer de man zegt: ‘Of Hij (Jezus) een zondaar is weet ik niet. Eén ding weet ik wel: dat ik blind was en nu zie’. Daarmee brengt hij de kwestie weer terug tot wat er nu feitelijk is gebeurd. En komt het contrast in focus helder aan het licht. Waar bij de genezen man wat hij aan den lijve heeft ervaren doorwerkt als een openbaring van Gods werken, zit bij de Farizeeën hun focus, op wat zij onder God verstaan, in de weg. Er is bij hen geen ruimte meer voor de mogelijkheid dat Gods werken zich voor je ogen kunnen voltrekken, buiten hun eigen menselijke, en dus beperkte, kaders. En zo blijven zij juist blind voor de dingen die van God komen.

Waar ligt onze focus? Hoeveel ruimte hebben wij voor de speelruimte die kennelijk nodig is om God beter te leren kennen? Nu we door het Corona-virus gedwongen zijn om vele gewoontes en patronen te doorbreken, voelden we in eerste instantie de impuls om ervoor te zorgen dat het leven zo veel mogelijk door kan gaan als het was, door te zorgen voor genoeg levensmiddelen in huis bij voorbeeld. Maar inmiddels merken we dat het dagelijks leven echt anders zal zijn de komende tijd. Is het nu niet pas echt vasten?

Misschien komt er ruimte voor verdieping. Want vasten kan verdieping worden, als het je verder laat kijken dan je alledaagse focus. Je hebt een beeld van je partner, of van je ouders of kinderen, maar misschien zie je eigenschappen over het hoofd, vraagt het plaatje dat je van iemand hebt om herziening. Of wat is van belang voor je persoonlijk leven? Heb je ruimte voor dit soort vragen? En hoe is het met jouw beeld van God? Symbool voor God is vanouds de wolk, of de nevel waar ik over begon. En misschien is die nevel wel onzichtbaar geworden door en focus op al te vaste voorstellingen en gebruiken. Zijn we meer gefocust op herkenning van wat we als God zien, dan op de Onkenbare die zich misschien anders wil tonen aan ons dan we verwachten.

Kunnen we het toelaten dat we als het ware langs onze gebruikelijk focus gaan kijken, om de wolk van Gods aanwezigheid opnieuw of beter te zien? We kunnen dat aandurven als we in vertrouwen meegaan in de tekenen die Jezus toonde: dat God zich zien laat, ook in tijden van verwarring, ziekte en zelfs dood. Je hoeft je alleen maar niet blind te staren op wat jezelf denkt dat God is, en je ogen en hart laten openen voor de geheimen van het zichtbare leven en de dood, die ons binnenvoeren in het mysterie van God.

Diaken Rob Polet

Uit het eerste boek Samuël 16, 1b, 6-7. 10-13a.

In die dagen zei de Heer tot Samuël:
“Vul een hoorn met olie:
Ik zend u naar Isaï, de Betlehemiet,
want één van zijn zonen heb ik voor het koningschap bestemd.”
Toen Samuël daar aankwam, viel zijn blik op Eliab en hij dacht:
Die daar voor de Heer staat is ongetwijfeld zijn gezalfde!
Maar de Heer zei tot Samuël:
“Ga niet af op zijn voorkomen of rijzige gestalte;
hem wil Ik niet.
Want God ziet niet zoals een mens ziet;
een mens kijkt naar het uiterlijk,
maar de Heer naar het hart.”
Zo stelde Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor,
maar Samuël zei tot Isaï:
“Geen van hen heeft de Heer uitverkoren.”
Daarop vroeg hij aan Isaï:
“Zijn dat al uw jongens?”
Hij antwoordde: “Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen.”
Toen zei Samuël tot Isaï:
“Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel
voordat hij hier is.”
Isaï liet hem dus halen.
De jongen was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen.
Nu zei de Heer: “Hem moet gij zalven: hij is het.”
Samuël nam dus de hoorn met olie
en zalfde hem te midden van zijn broers.
Sedert die dag
was de geest van de Heer vaardig over David.

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de Christenen van Efeze. 5,8-14

Broeders en zusters,
eens waart gij duisternis,
nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer.
Leeft dan ook als kinderen van het licht.
De vrucht van het licht kan alleen maar zijn:
goedheid, gerechtigheid, waarheid.
Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt.
Neem geen deel aan duistere en onvruchtbare praktijken,
brengt ze liever aan het licht.
Wat die mensen in het geheim doen
is te schandelijk om ook maar over te spreken.
Alles echter wat aan het licht is gebracht,
komt in het licht tot helderheid.
En alles wat verhelderd wordt,
is zelf ‘licht’ geworden.
Zo zegt ook de hymne:
“Ontwaak, slaper,
sta op uit de dood
en Christus’ licht zal over u stralen.”

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes. 9,1-41

In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan een man, die blind was
van zijn geboorte af.
Zijn leerlingen vroegen Hem:
“Rabbi, wie heeft gezondigd,
hijzelf of zijn ouders,
dat hij blind geboren werd?”
Jezus antwoordde:
“Noch hij, noch zijn ouders hebben gezondigd,
maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden.
Wij moeten de werken van Hem, die Mij gezonden heeft,
verrichten zolang het dag is.
Er komt een nacht
en dan kan niemand werken.
Zolang Ik in de wereld ben,
ben Ik het licht der wereld.”
Toen Hij dit gezegd had,
spuwde Hij op de grond,
maakte met het speeksel slijk,
bestreek daarmee de ogen van de man
en zei tot hem:
“Ga u wassen in de vijver van Siloam,”
– dat betekent: gezonden –
Hij ging er naar toe, waste zich
en kwam er ziende vandaan.
Zijn buren nu
en degenen, die hem vroeger hadden zien bedelen, zeiden:
“Is dat niet de man, die zat te bedelen?”
Sommigen zeiden:
“Inderdaad, hij is het.”
Anderen:
“Nee, hij lijkt alleen maar op hem.”
Hijzelf zei:
“Ik ben het.”
Toen vroegen ze hem:
“Hoe zijn dan uw ogen geopend?”
Hij antwoordde:
“De man die Jezus heet, maakte slijk,
bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij:
Ga naar de Siloam en was u.
Ik ben dus gegaan, waste mij en kon zien.”
Ze vroegen hem toen:
“Waar is die man?”
Hij zei:
“Ik weet het niet.”
Men bracht nu de man, die blind geweest was
bij de Farizeeën;
de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend,
was namelijk een sabbat.
Ook de Farizeeën vroegen hem dus,
hoe hij het gezicht herkregen had.
Hij zei hun:
“De man die Jezus heet, deed slijk op mijn ogen,
ik waste mij en ik zie.”
Toen zeiden sommige Farizeeën:
“Die man komt niet van God,
want Hij onderhoudt de sabbat niet.”
Anderen zeiden:
“Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?”
Zo was er verdeeldheid onder hen.
Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen:
“Wat zegt gijzelf van Hem,
daar Hij u de ogen geopend heeft?”
Hij antwoordde:
“Hij is een profeet.”
De Joden wilden niet van hem aannemen,
dat hij blind was geweest en het gezicht herkregen had,
eer zij de ouders van de genezene hadden laten komen.
Zij stelden hun toen de vraag:
“Is dit uw zoon,
die volgens uw zeggen blind geboren is?
Hoe kan hij dan nu zien?”
Zijn ouders antwoordden:
“Wij weten, dat dit onze zoon is
en dat hij blind is geboren,
maar hoe hij nu zien kan, weten we niet;
of wie zijn ogen geopend heeft,
wij weten het niet.
“Vraagt het hemzelf
hij is oud genoeg
en hij zal zelf zijn woord wel doen.”
Zij ouders zeiden dit, omdat zij bang waren voor de Joden,
want de Joden hadden reeds afgesproken
dat al wie Hem als Messias beleed,
uit de synagoge gebannen zou worden.
Daarom zeiden zijn ouders:
Hij is oud genoeg, vraag het hemzelf.
Voor de tweede maal
riepen de Farizeeën nu de man die blind was geweest bij zich
en zeiden hem:
“Geef eer aan God.
Wij weten dat de man, die Jezus heet, een zondaar is.”
Hij echter antwoordde:
“Of Hij een zondaar is, weet ik niet.
Eén ding weet ik wel:
dat ik blind was en nu zie.”
Daarop vroegen zij hem wederom:
“Wat heeft Hij met u gedaan?
Hoe heeft Hij uw ogen geopend?”
Hij antwoordde:
“Dat heb ik al verteld, maar gij hebt niet geluisterd.
Waarom wilt gij het opnieuw horen?
Wilt ook gij soms leerlingen van Hem worden?”
Toen zeiden zij smalend tot hem:
“Jij bent een leerling van die man,
wij zijn leerlingen van Mozes.
Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft,
maar van deze weten wij niet waar Hij vandaan is.”
De man gaf hun ten antwoord:
“Dit is toch wel wonderlijk,
dat gij niet weet vanwaar Hij is;
en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend.
Wij weten dat God niet naar zondaars luistert,
maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet,
dan luistert Hij naar zo iemand.
Nooit in der eeuwigheid heeft men gehoord,
dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend.
Als deze man niet van God kwam,
had Hij zo iets nooit kunnen doen.”
Zij voegden hem toe:
“In zonden ben je geboren,
zo groot als je bent,
en jij wilt ons de les lezen?”
Toen wierpen zij hem buiten.
Jezus vernam dat men hem buitengeworpen had
en toen Hij hem aantrof, zei Hij:
“Gelooft ge in de Mensenzoon?”
Hij antwoordde:
“Wie is dat Heer?
Dan zal ik in Hem geloven.”
Jezus zei hem:
“Gij ziet Hem,
het is Degene die met u spreekt.”
Toen zei Hij:
“Ik geloof, Heer.”
En hij wierp zich voor Hem neer.
En Jezus sprak:
“Tot een oordeel ben ik in deze wereld gekomen,
opdat de niet-zienden zouden zien
en de zienden blind worden.”
Enkele Farizeeën die bij Hem stonden,
hoorden dit en zeiden tot Hem:
“Zij wij soms ook blind?”
Jezus antwoordde:
“Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben,
maar nu gij zegt: wij zien,
blijft uw zonde.”

Reacties zijn gesloten.