Nog geen reacties

Homilie, lezingen en liturgie voor de eerste zondag van Advent

Homilie Advent 1B 2020 St. Nicolaasbasiliek

Terwijl de dagen korter en de nachten langer worden, in de natuur het duister toeneemt, hebben wij een kaars ontstoken aan de adventskrans, en zal er de komende weken steeds een bijkomen. Licht in het duister. Licht van verwachting, van uitzien naar goddelijk licht dat ons meer en meer mag verlichten. Licht dat in het duister kwam toen Christus werd geboren, die een lichtend spoor door onze mensengeschiedenis trok, waar wij ons op mogen oriënteren. Licht ook van voltooiing van de schepping, waarnaar wij eveneens mogen uitzien. Deze ene kaars laat zien: er kan licht zijn in jouw leven, temidden van elke duisternis. Als we de advent bewust willen doorleven, dan mag dit onze oriëntatie zijn: dat we in de komende weken duisternis onder ogen kunnen zien terwijl we verlangend uitzien, en zoeken blijven, naar goddelijk licht.

Welke duisternis zouden we onder ogen moeten komen? En hoe doen we dat? We delen natuurlijk de duisternis van de anderhalvemeter samenleving, van niet zomaar bij elkaar op bezoek kunnen komen, of elkaar kunnen aanraken. Meer particuliere duisternis, van terug moeten zien op een jaar waarin niet alles verliep zoals je had gehoopt. Voor onze gemeenschap rondom de Nicolaas geldt dat we leed delen om dierbare mensen die gestorven zijn, mensen die ziek zijn. Dat zijn vormen van duisternis. Duisternis kan er ook zijn als je beseft dat je tekort bent geschoten ten opzichte van je eigen voornemens of ten opzichte van een ander, ten opzichte van je geloof in God, dit alles kun je ervaren als een donkere kant van het afgelopen jaar.

De advent wil niet zeggen: dat doet er allemaal niet toe, er komt licht, wees blij! Dat zou goedkoop zijn, en een kitscherige vorm van geloof. Nee, de advent is er nu juist voor om tijd en ruimte te maken voor bezinning op je leven, met alle duistere en ook lichte kanten. De lichte kanten zijn misschien nog het beste om te zien: door te terug te kijken op mooie momenten en processen in jouw leven, die je heel legitiem als lichtpunten mag zien en waar je dankbaar voor mag zijn. En soms kan duisternis en licht met elkaar verweven zijn. Soms kun je, ook al treur je om verlies van een geliefde, daarbinnen ook zien wat je voor elkaar betekend hebt, hoe je zorg om elkaar hebt gehad en daarin elkaar toch heel nabij bent geweest, ondanks pijn en strijd die komen bij elk leed. Soms kun je zien dat je niet helemaal hebt bereikt wat je wilde, maar dat je wel stappen in de goede richting hebt gezet.
Duisternis, licht, ze horen bij ons leven en gaan soms hand in hand. De bijbel biedt ook ruim plaats aan beide. Zo hoorden we in de eerste lezing hoe de profeet Jesaja heel vrijmoedig tot God spreekt, vanuit een besef dat er een afstand is gegroeid tussen mens en God. Een besef van verlies, van godsverduistering. Daarbij komt de zelfreflectie: we hebben ons laten meevoeren als bladeren door wind, meevoeren door krachten die ons van U, God, vervreemden. Zoals in elke tijd, horen we ook nu zo vaak dat de oorzaak van persoonlijk, maatschappelijk leed vooral bij ‘de anderen’ wordt gezocht, bij je persoonlijke achtergrond en familiegeschiedenis of de overheid. En dat mag, en het is goed om kritisch te kijken naar je eigen omgeving en naar de samenleving. Voor een christen geldt daarbij wel dat je het niet laat bij een beschuldigende vinger naar anderen, maar dat je het vooral ook aandurft om je eigen positie daarbinnen in te nemen, met als oriëntatie het licht van het Christus en het evangelie. En dat je durft te zien waarin jezelf misschien daarin kansen hebt laten liggen.

In het evangelie spreekt Jezus daarom iedere leerling, en dus ook ons, op de persoon aan als Hij oproept om waakzaam te zijn. Hij zegt dit binnen de context van zijn wederkomst, die we verwachten als een uiteindelijke openbaring van Christus zelf, en ook de openbaring van hoe ieder van ons staat in relatie tot het licht dat Hij in de wereld bracht.

Paulus is optimistisch als hij schrijft aan de christenen van Korinte: jullie hebben van Christus alles aangereikt gekregen om God te kennen, om je leven te oriënteren op zijn licht. Tegelijkertijd maakt hij ook de kanttekening ‘naarmate zijn getuigenis bij jullie ingang vond’. Tussen het godsvertrouwen dat ons is aangereikt, en de mate waarin we er vanuit leven, mogen wij onszelf bezien. Waakzaamheid waar Jezus over spreekt is dan niet vastzitten in het zien wat er allemaal mis gaat om ons heen, maar daarin ruimte vrijmaken voor meer godsvertrouwen.

We mogen de komend weken groeien in openheid voor het licht van Kerstmis , dat we symbolisch zien groeien in het toenemende licht van de adventskrans. De woorden van Jesaja kunnen ons helpen het licht om ons heen, en in onszelf, te onderscheiden van duisternis als hij zegt over God: ‘U komt diegene tegemoet, die met vreugde gerechtigheid beoefenen, die bij al wat zij doen aan U denken’. We kunnen dit vertalen als: advent, wordt werkelijkheid daar waar we ons niet laten vangen in oordeel en commentaar op anderen of de overheid, hoe terecht ook, maar daarbij steeds zien waar wijzelf, gerechtigheid zoeken en ook doen. Kunnen we zelf misschien als die ene kaars zijn, die licht brengt waar duisternis lijkt te heersen?

Diaken Rob Polet

Download hier de liturgie voor de eerste zondag van de Advent.

Werste lezing: Jes. 63, 16b-17.19b; 64, 3b-7
Uit de Profeet Jesaja.

Gij Heer, zijt onze Vader,
Gij onze Verlosser
en uw Naam is eeuwig!
Waarom Heer liet Gij ons van uw wegen afdwalen,
zodat ons hart verstokt werd en U niet meer vreesde?
Keer U weer tot ons
omwille van uw dienaren.
Omwille van de stammen, die uw eigendom zijn.
Scheur toch de hemel open en daal af
en de bergen zullen beven voor uw aanblik.
Gij alleen zijt God
en Gij staat bij
al wie op U durft hopen.
Gij komt hen tegemoet,
die met vreugde gerechtigheid beoefenen,
die bij al wat ze doen aan U denken!
Vertoornd waart Gij op ons,
maar wij volharden in het kwaad:
hoe zouden wij ooit redding kunnen vinden?
Wij allen waren als onreinen,
onze goede werken als kleding door stonden bevuild;
als bladeren zijn we afgevallen
en de wind van onze zonden heeft ons meegevoerd.
Niemand die er aan dacht uw Naam aan te roepen,
die op U zijn vertrouwen durfde stellen:
Gij had immers uw aangezicht van ons afgewend
en Gij had ons prijsgegeven aan onze zonden.
Toch zijt Gij, Heer, onze Vader;
wij zijn het leem, Gij de boetseerder:
wij zijn slechts het werk van uw handen.
Blijf niet eindeloos op ons vertoornd, Heer,
en wil onze ongerechtigheid niet voor altijd indachtig zijn:
zie op ons neer: wij zijn uw volk!

Tweede lezing: 1 Kor. 1, 3-9
Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.

Broeders en zusters,
genade en vrede voor u
vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus!
Steeds weer zeg ik God dank voor zijn genade,
die u in Christus Jezus is gegeven.
Want in Christus zijt gij,
naarmate zijn getuigenis bij u ingang vond,
in ieder opzicht rijk begiftigd
met alle gaven van woord en kennis.
Op dit punt komt gij niets te kort,
terwijl gij vol verwachting uitziet
naar de openbaring van onze Heer Jezus Christus.
Hij zal u ook doen standhouden tot het einde,
zodat u geen blaam treft op de dag van onze Heer Jezus.
God is getrouw,
die u geroepen heeft tot gemeenschap met zijn Zoon
onze Heer Jezus Christus.

Evangelie: Mc. 13, 33-37
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Weest op uw hoede, weest waakzaam;
want gij weet niet wanneer het ogenblik daar is.
Het is er mee als een man, die in het buitenland vertoeft.
Bij het verlaten van zijn huis
heeft hij aan zijn dienaars het beheer overgedragen, aan ieder zijn taak aangewezen
en de deurwachter bevolen waakzaam te zijn.
Weest dus waakzaam,
want gij weet niet wanneer de heer des huizes komt, ‘s avonds laat of midden in de nacht,
bij het hanengekraai of ‘s morgens vroeg.
Als hij onverwachts komt
laat hij u dan niet slapend vinden.
En wat Ik tot u zeg, zeg Ik tot allen:
weest waakzaam!”

Reacties zijn gesloten.