Nog geen reacties

Serotonine – over God en illusies

Serotonine is de titel van de laatste roman van Michel Houellebecq, op dit moment één van de belangrijkste Franse schrijvers. Zijn verhaal draagt deze titel omdat het gaat over een man van middelbare leeftijd die geen plezier of zin meer in zijn leven vindt. Hij wordt min of meer overeind gehouden door Serotoninetabletten, een soort antidepressivum. En toch overweegt Claude-Florent, de hoofdpersoon, aan het einde van de roman zich van het leven te beroven. De roman is kritisch op de ontwikkelingen in de westerse, liberale samenleving van de laatste vijftig jaar, waardoor velen stuurloos en zonder een diep ervaren zin door het leven gaan, blijkt uit het verhaal. Aan het einde van de roman vraagt de hoofdpersoon zich af:

Zijn we gezwicht voor de illusies van individuele vrijheid, open leven, onbegrensde mogelijkheden? () We hebben niets anders gedaan dan ons eraan conformeren, ons erdoor laten kapotmaken; en daarna, heel lang, eronder lijden.

De uitzichtloosheid van de laatste bladzijden van het boek krijgt echter een markant slot, waarin tamelijk plotseling over God wordt gesproken:

In werkelijkheid bekommert God zich om ons, Hij denkt elk moment aan ons en geeft ons aanwijzingen, soms heel nauwkeurige. Die golven van liefde die in onze borst opwellen en ons de adem benemen, die ingevingen en extases, waar onze biologische natuur, onze eenvoudige primatenstatus geen verklaring voor kan bieden, zijn uitzonderlijk heldere tekenen.

Verrast door deze Deus ex machina in de hedendaagse kunst vroeg ik de vertaler van het boek, die de auteur goed kent, of het hier gaat om een ironisch einde of een heuse geloofsbelijdenis. De vertaler antwoordde dat het geloof voor Houellebecq eigenlijk de enig overgebleven optie is voor een zinvol leven, zonder dat hij zelf zich overigens heeft bekeerd tot welk geloof dan ook.

Wat mij treft aan het slot van deze roman is dat menselijke illusies (individuele vrijheid, open leven, onbegrensde mogelijkheden) afgezet worden tegen werkelijkheid, en die werkelijkheid komt van God. Wat die menselijke illusies volgens de verteller precies inhouden blijkt uit de rest van het boek. Wat de tekenen en aanwijzingen precies zijn die de om ons bekommerde God geeft, wordt in het boek niet uitgewerkt. Maar juist daarom wordt de lezer geprikkeld om daar zelf naar op zoek te gaan. En dat is precies waar ook Pinksteren ons toe uitnodigt. Want we kunnen vieren dat de heilige Geest is neergedaald in de apostelen, en sindsdien diep verbonden is met het leven van de Kerk, maar leven we ook echt uit die Geest? Vertrouwen we ons toe aan de Geest? Of volgen we surrogaat-geesten?

Leven met de Geest begint volgens mij met het verlangen naar echt leven, en durven zien waar je in je leven bent vastgelopen, op een dood spoor zit. En vooral: waar echt leven, zoals je bedoeld bent door God, te vinden en te ervaren is. Want daar hebben we allemaal wel een vermoeden van, of zelfs een heel duidelijk beeld. Maar het kan in je leven anders zijn gelopen. Door teleurstellingen, door het hooghouden van idealen of een levenswijze die op een illusie berust, kan het zijn dat je nog niet (helemaal) bent geworden zoals je eigenlijk mag zijn. Dan mag je je toevertrouwen aan de Geest die “Heer is en het leven geeft”, zoals we in de lange geloofsbelijdenis zingen. En met een open blik zien waar echt, geïnspireerd leven is, en dat volgen. Het verlangen hiernaar ruim baan geven geeft je kracht om afstand te nemen van wat je leven beknelt, en van illusies die je hebt opgelopen. Ik wens het ons toe, dat we steeds meer mogen leven naar hoe God ons werkelijk heeft bedoeld.

Diaken Rob Polet

Reacties zijn gesloten.